Free Web Hosting Provider - Web Hosting - E-commerce - High Speed Internet - Free Web Page
Search the Web



Agressie en Geweld in de Media



[ Artikel Mediageweld ] [ Literatuur ] [ Links ]



Free polls from Pollhost.com
"Geweld op televisie leidt tot beduidend meer geweld in de samenleving"
mee eens mee oneens   

[ Klik hier voor meer polls ]





Plaats suggesties voor links en artikelen op het forum. Deze kunnen dan eventueel opgenomen worden.




De buis in huis: de invloed van televisiegeweld op jonge kijkers

De televisie speelt heden ten dage een enorme rol in het dagelijks leven van kinderen en jongeren. Uit een wereldwijd onderzoek, uitgevoerd door UNESCO (1998), onder meer dan 5000 jongeren uit 23 verschillende landen, variërend van hoog geïndustrialiseerd tot laag geïndustrialiseerd, en van landelijk tot stedelijk, is gebleken dat 93% van de kinderen toegang heeft tot een televisie (variërend van 99% in het Noord-Westen tot 83% in Afrika) en men gemiddeld drie uur per dag voor de televisie spendeert. Dit is meer dan elke andere buitenschoolse activiteit, zoals huiswerk, onder vrienden zijn, of lezen. De televisie heeft in de loop der tijd dus op globale schaal een prominente rol aangenomen. Zo bleek 88% van de kinderen bekend te zijn met Terminator held Arnold Schwarzeneggar. Omdat de televisie naast ouders, school, en leeftijdgenoten ook een belangrijke rol speelt in het socialisatieproces bij kinderen wil ik mij hier richten op televisiegeweld, waarbij mijn vraag als volgt luidt:

"Hoe en in hoeverre leidt veelvuldige blootstelling aan televisiegeweld tot agressiever gedrag bij kinderen/ jongeren?"

Hierbij beperk ik mij tot kinderen/ jongeren omdat de meeste literatuur dit doet en omdat kinderen nog volop in het socialisatieproces verkeren. Onder socialisatie wordt verstaan het bedoeld, dan wel onbedoeld leren van culturele normen en waarden (Wilterdink & van Heerikhuizen, 1993). De cultuuroverdracht maakt dat mensen weten hoe je ´normaal´ te gedragen. Nu stopt dit socialisatieproces niet prompt bij het achttiende levensjaar. Ook volwassenen zullen beïnvloed worden door de informatie die ze op de televisie (en via andere kanalen) wordt gepresenteerd. Denk hierbij aan de miljoenen die bedrijven investeren in advertising om mensen te stimuleren/ beïnvloeden hun product te kopen.

Een kanttekening die ik bij mijn vraagstelling wil plaatsen is dat de meest primaire oorzaken voor agressief gedrag te vinden zijn binnen het gezin, leeftijdgenoten, en de sociaal economische positie waarbinnen kinderen worden opgevoed (Unesco, 1998)). Televisiegeweld is slechts één van de determinanten voor agressief gedrag.

Om te bepalen hoeveel agressie er op de televisie voorkomt moet eerst worden bepaald wat agressie inhoudt. Van der Voort (1990) komt tot de volgende (nog niet operationele) definitie: Onder agressief gedrag wordt verstaan het willens en wetens toebrengen van schade aan anderen of aan zaken die aan anderen toebehoren. De agressie kan fysieke of niet-fysieke vormen aan nemen, direct of indirect zijn, en als middel of als doel worden gezien. Daarbij maakt hij een onderscheid tussen reëel geweld (het journaal) en fictief geweld (films, Tom & Jerry etc) en tussen verbaal/ psychisch geweld (hevige verbale woordenwisselingen in Dallas) en fysiek geweld (uitschakelen van vijanden in karatefilms).

Omdat er meerdere operationele definities van agressie mogelijk zijn is het niet makkelijk het aantal agressieve acties op televisie te meten. Toch geven dergelijke onderzoeken zeker een indicatie van de omvang van het geweldsaanbod op de televisie. In Amerika wordt al sinds de jaren zeventig wekelijks het aantal geweldacties bijgehouden in televisiedrama´s. Doordeweeks wordt er tijdens avonduitzendingen gemiddeld om de tien minuten een geweldsactie gepleegd. Volgens de onderzoekers zouden Amerikaanse kinderen die de high school verlaten al ongeveer 13.000 mensen op televisie een gewelddadige dood hebben zien sterven (Berding et al, 1991). Ook in Nederland zijn dergelijke resultaten gemeten.

Een probleem bij deze metingen is de keuze van de definitie van agressie. Zo vinden we geweld in talloze films en series als the Terminator en Dynasty, maar ook op het journaal, kinderseries als Tom & Jerry en in politieke debatten. Hierbij moet echter rekening gehouden worden met de context waarin het geweld voorkomt, evenals met het subjectieve oordeel van de kijker(Berding et al, 1991). Hier kom ik nog op terug. Aan hoe het aanbod van televisiegeweld wordt gemeten wil ik verder geen aandacht besteden. Ik ga er vanuit dat er op de televisie zeker een aanzienlijke hoeveelheid geweld wordt gepresenteerd dat als zodanig als geweld kan worden bestempeld.

Eén van de kenmerken van kinderen is dat ze in een fase van sterke ontwikkeling zijn. Zoals boven vermeld ´leren´ ze dagelijks van hun ouders, leeftijdgenoten, school, en media (televisie, kranten, internet etc). Onder leren wordt verstaan een relatief stabiele verandering in gedrag, veroorzaakt door een ervaring. Met betrekking tot dit onderwerp kan een ervaring zijn het zien van een film. Het is derhalve van belang enige kennis te hebben van bestaande leertheorieën om te kunnen bepalen wat mogelijk de invloed van de televisie zou kunnen zijn op de ontwikkeling en beeldvorming van een kind.

Volgens de Sociale Leertheorie van Albert Bandura leren we door observatie van het gedrag van anderen. Het leren is het sterkst wanneer we a) zien dat de uitkomsten van het gedrag positief zijn b) we de persoon positief waarderen c) er overeenkomstige kenmerken zijn tussen ´actor´ en ´spectator´ d) de gedraging ook binnen het bereik van de observator ligt (Zimbardo et al, 1995). De televisie is bij uitstek een plaats waar we geconfronteerd worden met gedragingen van anderen. Door de vorm waarin het televisiegeweld vaak gegoten is, waar ik nog op terug kom, sluit dit goed aan bij bovenstaande criteria voor het sociaal leren.

De script-theorie gaat uit van de ontwikkeling van mentale scripts, ook wel cognitieve schema´s genaamd, over (dagelijkse en minder dagelijkse) gebeurtenissen. Een script is dus een georganiseerde verzameling informatie (Vonk, 1999). Mentale scripts hebben we bijvoorbeeld over sollicitatiegesprekken. Als sollicitant hebben we een beeld in ons hoofd over wat we kunnen verwachten en hoe we ons dienen te gedragen. We stellen ons eerst voor, gaan pas zitten als het ons wordt gevraagd en schudden na afloop de hand. Scripts gelden dus als algemene richtlijnen voor ´hoe het hoort´, en verschillen uiteraard per cultuur. Wanneer we in het dagelijks leven veel worden blootgesteld aan televisiegeweld, en we een overschatting zouden maken van het voorkomen van agressief gedrag, zouden we volgens de script-theorie opvattingen kunnen ontwikkelen waarin geweld een prominentere plaats heeft (Unesco, 1998). De beschikbaarheidsheuristiek is een vuistregel die we in het dagelijks leven hanteren en het volgende inhoud: Hoe makkelijker voorbeelden van een voorval te binnen schieten, des te frequenter is dat voorval (Vonk, 1999). Doordat in de media en dus ook op de televisie dagelijks voorvallen van (reële en fictieve) agressie worden getoond, kan er maar al te goed een vertekening ontstaan die laat lijken dat agressie vaker voorkomt dan dat in werkelijkheid het geval is. Het is dan ook niet ondenkbaar dat agressie meer in onze scripts wordt opgenomen.

Een al eerder vermelde theorie is de socialisatie-theorie, die uitgaat van een proces van cultuuroverdracht. Normen en waarden worden doorgegeven en geïnternaliseerd, ofwel eigen gemaakt (Wilterdink en Heerikhuizen, 1993). De televisie biedt zeker niet altijd een reële weerspiegeling van het heersende patroon van waarden en normen. Zowel elementen uit de sociaal-leren-theorie als uit de script-theorie zijn in de socialisatie-theorie te vinden. De eerste twee theorieën zijn echter meer psychologisch van aard, en richten zich dus meer op individuen, terwijl de laatste een sociologische benadering is, en meer een algemeen proces bij groepen benadrukt.

Een model dat het tot stand komen van gedrag beschrijft is de Theory of Reasoned Action van Ajzen en Fishbein (Eagly, A.H., 1993). Volgens deze theorie is gedrag het gevolg van a) een attitude over het gedrag en b) de subjectieve norm (zie figuur 1). Dit laatste is een subjectieve waarneming of anderen vinden dat bepaald gedrag wel of niet zou moeten worden vertoond. Onder het begrip attitude wordt door Ajzen en Fishbein "de bipolaire evaluatie van gedrag X" verstaan, hetgeen betekend of men iets positief of negatief waardeert, goed dan wel fout, leuk of niet leuk etc (Wilke, H.A.M., 1995). Iemands attitude over een gedraging wordt vervolgens bepaald door het geloof dat de gedraging tot bepaalde uitkomsten zal leiden (behavoiur beliefs) en de evaluatie van elk van de uitkomsten. De subjectieve norm wordt bepaald door het geloof dat (belangrijke) anderen vinden dat iemand bepaald gedrag zou moeten vertonen (normative belief) en de waarde die aan die mening van anderen wordt toegekend (motivation to comply). Hoe belangrijker de persoon is, hoe zwaarder diens mening wordt meegerekend.

Theory of Reasoned Action

Figuur 1: Theory of Reasoned Action

In bovenstaand model is duidelijk veel van de hierboven beschreven leertheorieën te vinden.

Wanneer we willen weten in hoeverre televisiegeweld ons via leerprocessen beïnvloed, dienen we eerst de vorm waarin dit ten tonele wordt gebracht te bekijken. Al eerder heb ik een onderscheid gemaakt tussen reëel en fictief geweld en tussen psychisch en fysiek geweld. In actiefilms en series wordt geweld geregeld gerelateerd aan sterke (heldhaftige) karakters die hun omgeving beheersen, (uiteindelijk) beloond worden voor hun agressie, en met vrijwel elk probleem kunnen omgaan. Voorbeelden van dit type films lijken mij overbodig. Een onderliggende boodschap is hierbij dat agressie ten minste drie voordelen kan bieden: het is een goede manier om conflicten op te lossen, het levert status op en het geeft plezier (Unesco, 1998). Zo worden dus de positieve uitkomsten van gewelddadig gedrag benadrukt.

Verder blijken actiehelden vaak als role-models (belangrijke anderen) te worden gezien. Aan hun gedrag wordt dan ook relatief veel waarde toegekend. Bekende cross-culturele helden zijn "Rambo" en "Arnold Schwarzeneggar".

In actiefilms en series zien we dus a) dat er positieve uitkomsten bij agressief gedrag horen wat zou kunnen resulteren in een positieve attitude ten opzichte van de gedraging en b) dat belangrijke anderen, role-models, zich agressief gedragen, wat invloed kan hebben op de waargenomen sociale norm. Ook in veel videoclips op muziekzenders als TMF en MTV word agressief gedrag van specifieke doelgroepgerichte role-models – voorbeeldfiguren die passen binnen een subcultuur - regelmatig beloond door bijvoorbeeld het verwerven van respect.

Omdat de attitude ten opzichte van een gedraging en de sociale norm belangrijke determinanten zijn voor het tot stand komen van gedrag, is het in het geval van televisiegeweld zeker niet ondenkbaar dat agressieve gedragingen worden overgenomen wanneer beiden (attitude en sociale norm) het gedrag (deels) ondersteunen.

Maar ook reëlere vormen van geweld op televisie zoals bij berichtgeving of geweld tijdens voetbalwedstrijden geven ons inzicht in het gedrag van anderen en de uitkomsten van dat gedrag. Daarbij kan de frequentie van berichtgeving tot verkeerde beeldvorming leiden, iets wat al eerder is besproken.

Samengevat voorziet een medium als de televisie ons van informatie over het gedrag van reële en fictieve, belangrijke dan wel minder belangrijke, anderen en de uitkomsten van het gedrag. Wanneer deze uitkomsten positief (belonend) zijn zullen we volgens de sociaal leren-theorie geneigd zijn de gedraging over te nemen, zeker wanneer we de persoon ook positief waarderen. Daarbij leren we door veelvuldige blootstelling aan (fictieve) situaties nieuwe scripts over hoe we met verschillende zaken omgaan. Agressie is daar zeker niet bij afwezig.

Of kinderen televisiegeweld zullen overnemen is echter grotendeels afhankelijk van hoe goed zij een onderscheid kunnen maken tussen fictie en werkelijkheid. Wanneer een programma of film in de ogen van een kind de werkelijkheid weerspiegelt, en het gebruik van geweld gerechtvaardigd en beloond wordt, zal gedrag eerder worden overgenomen (Berding et al, 1991). Bij een uitermate agressief programma als Tom & Jerry is het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid niet zo moeilijk te maken; de serie bevind zich immers in een geheel onwerkelijke context. Bij dichter bij de realiteit liggende programma´s is het voor kinderen al een stuk moeilijker na te gaan of de agressie wel of niet ´normaal´ is, en dus binnen onze maatschappelijke context past. Soapseries lijken een redelijke getrouwe reflectie van de werkelijkheid te zijn, ware het niet dat alles tot het waanzinnige wordt overdreven. Hoewel de vorm (echte mensen in alledaagse of high society settings) pretendeert het echte leven te behelzen, hebben minder goed observeerbare kenmerken als sociale interactie en omgangsvormen doorgaans het waarheidsgehalte van een tijdmachine Zo zet de in coma geslagen hoofdpersoon een week later met de dader al weer een nieuw bedrijf op. De agressie is al snel vergeven en vergeten. Aangezien kinderen vaak zonder ouderlijk toezicht televisie kijken wordt er geen correctie gegeven op de mogelijk verkeerde socialiserende invloed die er van uit gaat.

Of een kind een goed onderscheid kan maken tussen fictie en werkelijkheid is ook afhankelijk van de verstandelijke leeftijd van het kind. Een kleuter neemt de gebeurtenissen van Bert en Ernie uit Sesamstraat doorgaans uitermate serieus, terwijl een ouder kind dit als onzin bestempeld (van der Voort, 1990). Of iets werkelijk is, is dus subjectief en leeftijdsgebonden.

Een derde determinant voor het maken van verschil tussen fictie en werkelijkheid is de mate van overeenkomst van gebeurtenissen op televisie met de eigen natuurlijke omgeving. Gesteld kan worden dat wanneer dat wat het kind op de televisie ziet overeenstemt met de eigen omgeving (thuis, buurt) beide ervaringen elkaar kunnen versterken (Berding et al, 1991). Ook bepalend is de manier waarop ouders reageren op geweld op televisie. Wanneer ouders de agressie positief, of in ieder geval niet negatief, waarderen is er eveneens sprake van overeenstemming, en zijn kinderen veel ontvankelijker voor televisiegeweld (Berding et al,1991). Uit het Unesco-onderzoek kwam naar voren dat van kinderen uit milieus met veel agressie (high-agresion areas) 51% zich met de Terminator identificeert (lees: zo wil zijn) terwijl dat in milieus met weinig agressie (low-agression areas) 37% is. De Terminator lijkt kenmerken te bezitten waarvan kinderen menen dat ze effectief zijn om met moeilijke situaties om te gaan.

Met dit alles wil ik het volgende concluderen. Door de prominente aanwezigheid van de televisie zie ik hierin zeker een socialiserende functie weggelegd. Volgens de genoemde leertheorieën vind leren onder andere plaats door het zien van gedragingen van anderen en de uitkomsten van hun gedragingen. Wanneer deze personen in de ogen van het kind belangrijk zijn en de uitkomsten positief en gerechtvaardigd zijn (of lijken te zijn) bestaat er een grote kans dat het gedrag wordt overgenomen. Echter, kinderen zullen niet zomaar alles overnemen wat op televisie te zien is. Ook niet alles van ouders, leeftijdgenoten of school wordt klakkeloos overgenomen. Het gedrag wordt geplaatst binnen een werkelijke dan wel fictieve context. Of kinderen door de televisie sterk gesocialiseerd worden en agressief gedrag overnemen hangt af van de echtheid van het programma, de mentale leeftijd van het kind en de gelijkenis met/ voorkomen van agressie in de thuissituatie. Het is dan ook raadzaam programma´s met veel verbaal of fysiek geweld naar later op de avond te verschuiven (wat al gebeurd) en als ouder te letten op de programma´s waar een kind naar kijkt om indien nodig feedback te geven op voor een kind werkelijk lijkende maar in werkelijkheid onecht blijkende situaties. Een kenmerk van veel programma´s is dat ze zo echt mogelijk lijken qua uiterlijke vorm, maar alleen de meest uitzonderlijke gebeurtenissen verhalen. Denk hierbij weer aan soaps. Voor jonge kinderen kunnen soaps dan ook nog heel echt lijken. Voor volwassenen misschien ook.

W. Berghuis (2000)


[ Boven ] [ Literatuur ] [ Links ]